1. Inleiding
1.1 Leerdoelen jurdische scripties
1.2 Beoordelingscriteria juridische scripties
2. Voorbereiding
2.1 Onderwerpkeuze
2.2 Probleemstelling
2.3 Jurisprudentieonderzoek
3 Dataverzameling
3.1 Rechtsvergelijking
3.2 Literatuuronderzoek
3.3 Onderzoeksmethoden
3.4 Methoden van dataverzameling
3.5 Operationalisatie
3.6 Conslusies
4. Rapportage
4.1 Opbouw & structuur
4.2 Scriptie-indeling
4.3 Omvang
4.4 Literatuur-en bronvermelding
4.5 Bronvermelding in juridische scripties
Veel studenten ziten elk jaar weer te zwoegen op hun afstudeeronderzoek en het schrijven van hun afstudeerscripte. Veel
studenten missen vaak ook een duidelijke leidraad en een duidelijke handleiding voor het opzeten van een onderzoek
en het schrijven van een goede afstudeerscripte. Hierdoor lopen ze vaak vertraging op en duurt het afstuderen langer
dan gepland. Hier wil scripte.nl een helpende hand bieden door gratis deze scriptehandleiding ter beschikking te stellen.
Aan de hand van dit document wordt op duidelijke en heldere wijze uitgelegd hoe een onderzoek opgezet kan worden
en op welke wijze het schrijven van een scripte het beste kan worden aangepakt. Hierbij gaan we onder andere in op
de verschillende soorten onderzoek en de wijze van rapportage. Voor elke grote studierichtng hebben we een aparte
scriptiehandleiding opgesteld omdat het afstuderen per richtng duidelijke verschillen heeft.
Op Scriptie.nl vindt je verder nog handleidingen voor SPSS, onderzoek en statistiek. Alles wat je nodig hebt om het
schrijven van een scriptie tot een goed einde te brengen. Ook kun je op Scriptie.nl gebruik maken van een enquêtemanager
om statistische onderzoeken voor je scripte uit te voeren.
Het schrijven van een scripte behoort vaak tot het sluitstuk van een opleiding. Het is bedoeld als een oefening en tegelijk een proeve van bekwaamheid, waarbij je een kans krijgt om de kennis en vaardigheden die je tjdens je studie hebt opgedaan in te zeten om (deels) zelfstandig een onderzoek of project op te zeten en uit te voeren. Bij een juridische WO opleiding zijn vaak de volgende leerdoelen aan te wijzen.
Een scripte en het daarvoor uitgevoerde onderzoek worden op veel verschillende punten beoordeeld. Bepaalde punten gelden natuurlijk alleen voor een specifeke opleiding maar er zijn ook een aantal algemene criteria waarop gelet kan worden. Hiernaast worden ook de criteria gegeven voor de voordracht die vaak naar aanleiding van de scripte moet worden gegeven. Gebruik deze lijst met criteria als referente maar ga ook na bij je eigen opleiding welke criteria specifek voor jou gelden.
Voordat aan het schrijven van een scripte kan worden begonnen moet er onderzoek gedaan worden en daarvoor zijn een aantal voorbereidende stappen te nemen. Het begint natuurlijk eerst met de keuze van een onderwerp, hierna moet er een onderzoeksopzet worden geschreven en na goedkeuring kan er begonnen worden aan het daadwerkelijke verzamelen van gegevens door middel van het onderzoek.
Uit onderzoek blijkt dat veel studenten veel moeite hebben met het vinden van een geschikt onderwerp voor hun scriptie.
Hieronder volgen wat nutige tips:
De probleemstelling is het uitgangspunt van je onderzoek en om deze reden zeer belangrijk. De probleemstelling
verwoordt het probleem of de vraag waarover je scripte gaat. Het belangrijkste doel is om steeds te proberen om de
vragen die opgenomen zijn in de probleemstelling van een helder en krachtg antwoord te voorzien.
Het formuleren van een probleemstelling is een lastig onderdeel van je scripte, maar daarentegen ook heel interessant.
Belangrijke punten waarop je moet letten zijn:
Om alle vragen in je probleemstelling te kunnen beantwoorden is literatuur- en jurisprudenteonderzoek essenteel. Literatuur- en jurisprudenteonderzoek heef als doel het selecteren en vinden van bronnen die kunnen helpen bij de beantwoording van de vraag die je in de probleemstelling hebt geformuleerd. Een paar tIps om efficiënt onderzoek te verrichten:
Dit hoofdstuk gaat in op de manier waarop je een scripteonderzoek opzet en uitvoert. Voor het doen van onderzoek zijn veel verschillende methoden te gebruiken maar bij een juridisch onderzoek wordt er vaak een literatuur- en jurisprudentieonderzoek uitgevoerd. Daarnaast kan ook praktjk onderzoek uitgevoerd worden en welke methoden hiervoor gebruikt worden ook kort even toegelicht.
Een scripte moet in veel gevallen een rechtsvergelijkende component bevaten. Deze component moet tenminste 10
procent van de scripte uitmaken. Je mag kiezen uit het bespreken van Internatonaal of Europees recht of je kunt één
buitenlands rechtsstelsel kiezen. Deze moet je vergelijken met het Nederlandse recht.
Het kan voorkomen dat jouw onderwerp zich niet leent voor een rechtsvergelijkende benadering, indien dit het geval is kun
je het beste contact op nemen met je scriptebegeleider.
Voordat je begint aan literatuuronderzoek maak je voor jezelf duidelijk waar je naar op zoek bent. Formuleer duidelijke
vragen bij het onderwerp dat je onderzoekt en probeer hier steeds een antwoord op te vinden. Maak ook een lijst met
punten waarvan jij vindt dat die punten in je scripte besproken moeten worden. Probeer dit zo nauwkeurig te doen en
baken je onderwerpen zoveel mogelijk af. Het helpt ook om meteen al een opzet met indeling per hoofdstuk te maken van
je scripte, zo kun je steeds dingen bijvoegen en veranderen indien nodig. Zo kun je meteen zien wat er nog moet gebeuren
en hoe het totaalplaatje eruit komt te zien. Je kunt ook opmerkingen bij je teksten zeten, je kunt oude en nieuwe versies
vergelijken, en opnieuw herschrijven zodat je scripte één geheel wordt.
Vergeet niet je bronnen te noteren!
Literatuur- en jurisprudente onderzoek wordt gebruikt voor de meerderheid van de juridische teksten. De bronnen die
hiervoor gebruikt worden zijn het internet, overheidspublicates, jurisprudente, boeken en artkelen uit tjdschrifen.
Juridische teksten lijken vaak te informeren, maar vaak hebben zij ook een overtuigend karakter. Dit karakter hebben zij te
danken aan degene die het argument heef geformuleerd, om deze reden is het zeer belangrijk om een goede afweging te
maken van je gebruikte bronnen.
Juristen onderscheiden globaal gezien twee bronnen, namelijk formele rechtsbronnen en andere rechtsbronnen.
De formele rechtsbronnen zijn het belangrijkste, het zijn het verdrag, wet en jurisprudente. De andere bronnen zijn
boeken, statsteken, artkelen, opiniebladen, enzovoorts.
Het gebruik van deze bronnen is belangrijk voor de geloofwaardigheid van je scripte.
Typen onderzoek
Er zijn veel soorten onderzoeken die je uit kunt voeren. Welke aanpak je kiest heef vooral te maken met het onderwerp
wat je uit hebt gekozen. Hieronder volgt kort een beschrijving van de verschillende soorten onderzoek.
Bij beschrijvend onderzoek probeer je een bepaald verschijnsel zo compleet mogelijk in kaart te brengen. Hier heb je vooraf vaak geen hypothese of theorie voor handen. Onderzoeksvragen die je vaak terug ziet bij beschrijvend onderzoek zijn de ‘wat’ en ‘hoe’-vragen.
Hierbij voer je een onderzoek waarbij vaak al ideeën zijn over mogelijke verbanden en je beschikt vaak al over enige kennis. Vragen die hier vaak voorkomen zijn de ?waarom? en ?hoe komt dat? vragen. Het uiteindelijke doel van dit soort onderzoek is tot het komen van een theorie of hypothese.
Bij toetsend onderzoek ga je na of een hypothese die is afgeleid uit een bepaalde theorie klopt dan wel juist is.
Bij dit soort onderzoek gaat het vaak om de voorbereidingen die worden getrofen voor het opzeten van een plan. Denk hierbij aan onderzoek wat wordt gedaan voor beleidsplannen. Vaak mond dit uiteindelijk uit in een aantal aanbevelingen waarmee zo’n plan wordt ontworpen.
Er zijn verschillende manieren van dataverzameling aan te wijzen, de één is natuurlijk beter geschikt voor een bepaald type onderzoek dan de ander. Hiernaast zijn er kwanttateve methoden aan te wijzen en kwalitateve methoden. Bij kwantitatieve methoden verzamelt de onderzoeker voornamelijk cijfermatge gegevens en deze worden met statstsche technieken geanalyseerd. Hiertegenover staan de kwalitateve methoden, dit zijn meestal onderzoekstechnieken die zachtere gegevens opleveren waarbij de beleving van respondenten centraal staat. Hieronder volgt een korte beschrijving van de verschillende soorten van dataverzameling.
De methode wordt gebruikt om opinies, houdingen, kennis of meningen bij grote groepen mensen te meten. Dit wordt vaak gedaan door middel van enquêtes of vragenlijsten. Bij dit soort enquêtes wordt vaak gebruikt gemaakt van schalen, waarbij de deelnemer (vaak respondent genoemd bij dit soort onderzoeken) bij een vraag kan kiezen uit een beperkt aantal antwoordmogelijkheden (bijvoorbeeld keuze uit vijf antwoordenmogelijkheden). Voor scripteonderzoek wordt vaak gebruikt gemaakt van de mogelijkheid om een internetenquête op te zeten, hiermee heb je vaak een groot bereik en wordt de data vaak al overzichtelijk gepresenteerd door het enquêteprogramma.
Bij deze methode wordt gebruik gemaakt van al bestaande datasets, dus onderzoeksgegevens die al door andere onderzoekers zijn verzameld. Deze vorm wordt ook wel kwalitatef bureauonderzoek genoemd. Het grootste voordeel van deze methode is natuurlijk dat je niet zelf het onderzoek hoef te doen, nadeel is wel dat je vaak niet een dataset vindt die aan je specifeke eisen voldoet.
Bij deze vorm van onderzoek wordt vaak een experiment opgezet om een bepaalde hypothese te testen. Hierbij is sprake van een effectmeting, je meet hierbij het efect van X op Y, dit wordt dan vaak een causaal verband genoemd. Ook wordt over het algemeen gebruik gemaakt van een experimentele situate, op deze manier kun je de controle over de situate houden. Bij experimenteel onderzoek wordt niet gesproken over respondenten maar over proefpersonen.
Bij observateonderzoek wordt gebruikt gemaakt van systematsche waarneming van bepaalde gedragingen van over het algemeen kleine groepen personen. Hierbij wordt alleen gelet op gedragingen die voor het onderzoek interessant zijn.
Interviews worden vaak gehouden bij onderzoeken waar de onderzoeker de beleving of moteven van een respondent wil achterhalen. Vaak vindt dit plaats in de vorm van een tweegesprek maar het open interview kan ook in groepsvorm plaatsvinden.
Bij literatuuronderzoek ga je op zoek in bestaande literatuur zoals boeken, tjdschrifen, kranten, internet, bestaande onderzoeksverslagen etc. Vaak voer je literatuuronderzoek aan het begin van je onderzoek uit om je onderwerp af te bakenen en om je onderzoeksopzet op te kunnen stellen.
Zodra je een methode hebt uitgekozen dan kun je de volgende stappen zeten om je onderzoeksmethoden uit te werken:
Nadat je door middel van één (of meerdere) van de onderzoeksmethoden de gegevens hebt binnen gehaald zal je de resultaten uiteindelijk moeten analyseren en betrekken op de probleemstelling en de gebruikte theorieën. Dit doe je door de vragen die je in je probleemstelling hebt gesteld helder en duidelijk te beantwoorden. Wanneer je hypothesen hebt gesteld dan dien je aan te geven in hoeverre deze worden bevestgd of weerlegd. De resultaten van deze fase vormen dan de uiteindelijke conclusies van je onderzoek. Vaak wordt er ook nog ingegaan op de volgende vragen:
In dit hoofdstuk wordt uitgelegd waarop gelet moet worden tjdens het daadwerkelijke schrijven van de scripte. Hier wordt ingegaan op de opbouw en structuur van een scripterapport, de scripte-indeling, omvang en literatuur- en bronvermelding.
Wanneer je het onderzoek hebt afgerond en je conclusies hebt getrokken is het tjd om deze informate tot een duidelijk, leesbaar en helder betoog te verwerken. In welke vorm je dit doet is afankelijk van het onderwerp dat je hebt gekozen en of je een ontwerpopdracht hebt gedaan of een onderzoek hebt uitgevoerd. Waarschijnlijk heb je in de voorbereidende fase al een voorlopige hoofdstukindeling opgesteld en deze kan je dus goed gebruiken om de resultaten weer te geven. Het belangrijkste is dat je het verhaal logisch opbouwt en een duidelijke structuur aanhoudt zodat de lezer je betoog goed kan volgen. Een goede manier om dit te doen is door bij elk hoofdstuk in een korte inleiding aan te geven waar het hoofdstuk over zal gaan en door duidelijke aan te geven hoe dit in het geheel van je onderzoek past. Verder is het aan te raden om kort en bondig je betoog te doen, schrijf hier per paragraaf in één zin wat er in die paragraaf moet komen te staan. Aan de hand van deze steekwoorden bouw je vervolgens je paragraaf op. Gebruik hiervoor de gegevens die je nodig hebt om je probleemstelling te kunnen beantwoorden. Hiermee voorkom je dat je onnodig gaat uitweiden waardoor de kern van je verhaal minder goed overkomt. Verder is het aan te raden om de concept versie van je scripte kritsch na te kijken maar dit ook door anderen te laten doen. Laat dit ook door verschillende mensen doen om op deze wijze te kijken of het door iedereen te snappen is en niet te technisch of ingewikkeld wordt voor sommige lezers.
Een scripte kan op de volgende manier ingedeeld worden, dit is een vrij algemene indeling en hiervan kan natuurlijk afgeweken worden naar gelang het onderwerp dat vereist.
De omvang van een scripte verschilt vaak per opleiding maar over het algemeen wordt er voor een bachelorscripte gericht
op ongeveer 25 pagina’s tekst (ongeveer 20.000 woorden)en bij een masterscripte gericht op zo’n 35 tot 65 pagina’s tekst
(tussen de 20.000 en 40.000 woorden). Dit is exclusief inhoudsopgave, ttelblad etc. Ga natuurlijk bij je opleiding na of dit
ook voor jou geldt. Een grotere scripte is niet altjd beter dan een kleine scripte. Je kan beter een scripte schrijven waarbij
je zonder al teveel uitweidingen je betoog doet want vaak laten beoordelaars zich niet door de omvang van een rapport
imponeren. Probeer ook niet over het maximale aantal woorden te gaan wanneer je dit niet goed kan beargumenteren.
Hieronder volgen nog een aantal punten die je scriptie absoluut moeten bevatten.
In de literatuurlijst worden bronvermeldingen over het algemeen als volgt opgenomen:
Voor boeken geldt
Achternaam, voorleter auteur. (datum van publicate). Titel (cursief). Uitgeverij
Voorbeeld:
Jansen, A. (1998). scripties schrijven. Amsterdam: Uitgeverij onderwijs.
Voor tjdschrifen geldt
Achternaam, voorleter auteur. (datum publicate). Titel artkel. Titel tjdschrif (cursief), jaargang/volume (issue, 1e
periodiek), pagina’s waar het artikel te vinden is.
Voorbeeld:
Jansen, A. (2000). Onderzoek en scripties. Tijdschrif voor scriptieonderzoek, 10(1), 35-37.
Voor internet bronnen geldt
Achternaam, voorleter auteur (datum publicate). Titel (online). Plaats, uitgever. Beschikbaar op: (datum waarop het
document werd geraadpleegd)
Voorbeeld
Jansen. A (2001). Online handleiding scriptie schrijven (online). Amsterdam, Online scriptie insttuut. Beschikbaar op:
htp://www.scriptieinsttuut.nl/handleiding/ (Bekeken op 2 juni 2008).
Voor e-mail berichten geldt
Afzender (e-mailadres van afzender). (dag maand jaar). Onderwerp van het bericht (cursief). E-mail naar (e-mailadres van
ontvanger).
Voorbeeld
Jansen, A (albert@scriptie.nl). (02 juni 2008). Hulp met scripties. E-mail naar Jansen, B (jansen@scriptieinsttuut.nl)
In juridische literatuur wordt veel gewerkt met noten waarmee wordt verwezen naar rechtspraken. Om de
controleerbaarheid en daarmee ook de kwaliteit van de juridische scriptie te verhogen moeten de gebruikte noten relevant
zijn en moet het aanhalen van geraadpleegde literatuur op consistente wijze gebeuren. Hieronder volgt een kort voorbeeld
van een correcte citeerwijze.
In het betoog:
‘Zoals de Hoge Raad 1) eerder besliste..’
Hierbij moet de noot als volgt zijn: 1) HR 11 juni 2000, BNB 2000/123
In het betoog:
‘Jansen 2) is van mening dat...’
Hierbij moet de noot als volgt zijn: 2) Jansen, A., Recht en scriptie, tweede druk, Utrecht 2000, blz..
Vaak is het aan te raden om te verwijzen naar bepaalde boeken waarvan de feiten eigenlijk algemeen bekend zijn. Mochten
er bijvoorbeeld toch afwijkende standpunten denkbaar zijn dan is het wel aan te raden om toch een verwijzing te maken.
In het betoog:
‘Hierbij gaat men er vanuit dat er voor deze zaak een overeenkomst nodig is 3)..’
Hierbij moet de noot als volgt zijn: 3) Dit wordt door de meeste schrijvers aangenomen, zie A. Jansen, Recht en scriptie,
tweede druk, Utrecht 2000, blz…